home > forum > diner pensant > diner pensant 2008 > past performance

Tafel 1. Past Performance

Voorzitter: Peter Jägers, Rijksgebouwendienst
Verslaglegger: Thomas van Dijk, Rijksgebouwendienst

+ klik op de foto om deze te vergroten

Stelling 1
De toepassing van een eenvoudig opgezet instrument dat “past performance” van aanbieders meet leidt nooit tot een juridisch houdbare uitsluiting van aanbieders.

Stelling 2
Het instrument “past performance” is alleen bruikbaar als opdrachtnemers èn opdrachtnemers beiden direct betrokken zijn bij de ontwikkeling ervan.

Stelling 3
Naast “past performance” van opdrachtnemers zal frequente publicatie van een ranglijst van beste opdrachtnemers een impuls geven aan het verder ontwikkelen van de professionaliteit van aanbieders.

Stelling 4
Een openbaar informatiesysteem waarin de “past performance” van opdrachtgevers wordt vastgelegd zou het professioneel opdrachtgeverschap een grote impuls geven.

Stelling 5
“Past performance” werkt pas als het niet alleen bij selectie maar ook bij gunning mag worden gebruikt.

De stellingen werden tijdens de discussies door elkaar behandeld.
Hier volgt het verslag.

Peter Jägers leidt de discussie over “past performance” in met een eigen ervaring. Een aannemer die wegens slechte ervaringen van een project is gehaald, kon in een ander project niet worden geweigerd en is dat project zelfs gegund. Zie stelling 5.

De discussie wordt voortgezet met stelling 1. Het is nu al mogelijk om een aannemer te vragen naar tevredenheidsverklaringen. Ook ervaringen van andere opdrachtgevers kunnen worden gebruikt. Ze vormen echter geen criterium voor gunning. De grotere aannemers hebben veel verschillende projecten in het hele land. Als er naar referentieprojecten en tevredenheidsverklaringen wordt gevraagd, bepalen ze zelf welke ze laten zien.

90% van de aanbestedingen zijn nu nog op basis van`laagste prijs`i.p.v. op economisch meest voordelige inschrijving (EMVI). Een opdracht gunnen aan een ander dan degene die voor de laagste prijs heeft ingeschreven, leidt al snel tot een rechtzaak.

Volgens de regels moet iedereen dezelfde kans krijgen. Dit is op twee manieren nadelig. Partijen die slechte kwaliteit leveren, maken in de volgende aanbesteding weer net zo veel kans als andere. Én partijen die goed werk leveren, worden niet beloond door een grotere kans op toekomstig werk.

Enkele eisen aan een past performance systeem.

  • De beoordeling moet objectief zijn, door een onafhankelijke partij met voldoende gezag.
  • De beoordeling moet zich over meerdere jaren uitstrekken; partijen die één keer slecht werk leveren mogen niet jaren aan een negatieve beoordeling vastzitten.
  • De beoordeling moet onderscheid maken naar bedrijfsonderdeel en/of projectleider. Regio zuid kan bijvoorbeeld erg verschillen van west.
  • Voor welke fase geldt de beoordeling: gunning, selectie, inschrijving?
  • De opdrachtgevers moeten gezamenlijk criteria voor scores ontwikkelen. Mogelijk kan er beoordeeld worden op een aantal vaste, terugkerende onderwerpen.
  • Niet verzanden in juridische afspraken.
  • ‘Nieuwe’ spelers, zonder reputatie, moeten ook kansen hebben.

Een past performance systeem is nuttig voor opdrachtgevers en opdrachtnemers. Met feedback kan een opdrachtnemer zijn eigen dienstverlening verbeteren.
Bouwend Nederland onderschrijft het belang van een dergelijk systeem. De bouw heeft belang bij een goede relatie met opdrachtgevers en bij een goede reputatie. Wel moet een dergelijke beoordeling zorgvuldig en objectief tot stand komen.

Naast een past performance instrument blijft het van groot belang om de vraag goed te definiëren. Op basis hiervan kan al een grove selectie gemaakt worden van aannemers die in aanmerking komen voor de opdracht.

Er moet gestreefd blijven worden naar een andere cultuur in de bouw. Ook al is uit een afstudeeronderzoek naar de geschiedenis van bouwprojecten gebleken (publicatie Cobouw) dat de huidige problemen zich ook in het verleden voordeden.
Zo zou een opdrachtgever niet meer van alles moeten kunnen eisen van een opdrachtnemer. Een `harde` opdrachtgever is gedateerd.

Door de parlementaire enquete bouwnijverheid lijkt er een verkramping ontstaan. Opdrachtgevers lijken bang te zijn om fouten te maken. Het opbouwen van relaties met aannemers en het nemen van beslissingen ten nadele van een individueel project maar in het belang van het geheel (kwaliteit, beperken uitgave belastinggeld) lijkt taboe geworden. `Logisch` handelen lijkt verdwenen.

Introductie van een ranking of reputatiemonitor wordt geopperd. Om partijen te prikkelen. Men wil bovenaan komen en blijven, en vooral niet onderaan staan. De provincie Zuid-Holland heeft hier ervaring mee (rapportcijfers). Medewerkers die direct met de aannemers samenwerken, vullen een vragenlijst in. Hieruit blijken hun ervaringen. Criteria zijn o.a. tijdigheid, omgevingsgevoeligheid, nakomen van afspraken. De uitkomst wordt gedeeld met de projectleider en met de aannemer. Ook de aannemer beantwoordt een aantal vragen waaruit de ervaringen met de opdrachtgever blijken. De resultaten (het rapportcijfer) kunnen niet worden gebruikt in de selectie of gunning. De ervaring leert dat de aannemers er wel iets mee doen.
Dat opdrachtnemers ook een oordeel over opdrachtgevers kunnen geven is relevant. Ook bij opdrachtgevers is ruimte voor verbetering.

Kern van stelling 1 is het woord “eenvoudig”. Een eenvoudig systeem werkt alleen als het serieus wordt opgepakt, door mensen met voldoende kwaliteit en met voldoende budget. Vraag is: is het opzetten van een systeem voor past performance meting (certificering) de verantwoordelijkheid van opdrachtgevers of van de bouwwereld zelf?