home > forum > diner pensant > diner pensant 2008 > professioneel inkoopbeleid

Tafel 2. Professioneel inkoopbeleid:
geïntegreerde contracten


Voorzitter: Patrick Buck, ProRail
Verslag: Maarten de Wilde, ProRail

+ klik op de foto om deze te vergroten

Stelling 1
Geïntegreerde contracten zijn zo complex dat kleine en middelgrote aanbieders automatisch worden uitgesloten.

De stelling is in beginsel juist. Door de omvang komen vooral de grote aannemers in aanmerking voor geïntegreerde contracten. De functie van grote aannemers is echter verschoven: van bouwend naar coördinerend. Opdrachtgevers willen voor hun project graag één aanspreekpunt. De coördinatie van verschillende disciplines wordt bij een grote opdrachtnemer geplaatst, die als makelaar optreedt voor kleine en middelgrote bedrijven. Hierdoor leiden geïntegreerde contracten niet direct tot het buitenspel zetten van kleine en middelgrote aanbieders.

Geïntegreerde contracten hebben een groter risicoprofiel dan traditionele contracten. Kleine en middelgrote aanbieders komen er dan ook niet voor in aanmerking. Van opdrachtnemers wordt verlangd dat zij risicodragend participeren in projecten. Dat is voor kleine en middelgrote aanbieders een lastige opgave.
Het zoveel mogelijk ‘over de schutting gooien’ van risico’s is echter voorbij. Opdrachtgevers maken een betere afweging over de verdeling van risico’s tussen partijen.

Stelling 2
Publieke en semipublieke opdrachtgevers hebben de maatschappelijke verantwoordelijkheid om (kleinere) opdrachtnemers te begeleiden bij contractvernieuwing.

Deze verantwoordelijkheid moet zowel naar de grote als de kleine opdrachtnemers genomen worden.

Stelling 3
Door toepassing van geïntegreerde contracten zal het karakter van de aanbieders wijzigen: financiële instellingen zullen steeds meer de leidende contractpartner zijn.

Financiële instellingen zijn betrokken bij langdurige contracten met grote risico’s. De ervaringen met financiële instellingen als contractpartner in een geïntegreerd contract zijn beperkt. Doordat banken vooral gericht zijn op het managen van risico’s en de controle op de naleving van het contract in de exploitatiefase, heeft de participatie van banken in deze contracten een risicodempend effect. Deze risicomijdende opstelling heeft weer een remmend effect op het innovatieve vermogen van de contractpartner.

Stelling 4

Juristen en inkopers gaan het inkoopbeleid bepalen, waardoor de inhoudelijke vakbekwaamheid bij opdrachtgevers verdwijnt.

De stelling wordt gedeeld. Verregaande juridificering van procedures en contractvormen leidt tot een groter belang van juristen en inkopers. Maar om de opdrachtgeverrol naar behoren uit te kunnen voeren is voldoende inhoudelijke vakbekwaamheid in huis noodzakelijk. Het kan en mag niet zo zijn dat de adviseurs van de opdrachtgever met de opdrachtnemer aan tafel zitten en de opdrachtgever inhoudelijk onvoldoende weet waarvoor getekend wordt.

De Rijksgebouwendienst erkent het belang van technisch toezicht. De toezichthouders constateren vaak omissies, terwijl de opdrachtnemers verantwoordelijk zijn voor de technisch inhoudelijke aspecten. Ook ProRail is bewust bezig om weer technische kennis in huis te halen.
Dit is niet in lijn met de stelling van prof. Hennes de Ridder dat opdrachtgevers slechts verstand moeten hebben van het gebruik van de objecten die ze laten bouwen. Als je een auto koopt let je immers op gebruiksaspecten als veiligheid, verbruik of voldoende trekkracht voor de caravan. De wijze waarop bijvoorbeeld het motorblok aan het chassis is bevestigd is hierbij geen issue. Om de opdrachtgeverrol goed uit te kunnen voeren is de meerderheid van mening dat er voldoende technische kennis in huis moet zijn. Zo kan beoordeeld worden of de motor in de te bouwen auto ook daadwerkelijk de caravan kan trekken.

Wat verder ter tafel kwam
De markt bepaalt mede de mate van gebruik van geïntegreerde contracten.
Opdrachtgevers die landelijk opereren in de civiele markt (Rijkswaterstaat, ProRail) maken meer gebruik van innovatieve contractvormen dan regionale opdrachtgevers in de vastgoedsector (Universiteiten, ziekenhuizen). Laatstgenoemde opdrachtgevers hebben een ander bestedingspatroon en doen veel vaker zaken met kleine en middelgrote aanbieders. Het gevaar dat opdrachtgevers straks alleen nog gebonden zijn aan de grote aannemersbedrijven speelt dan ook niet bij alle opdrachtgevers.

Er was discussie over het aanpassen van de levensduur van gebouwen aan de functie ervan; een gebouw dat bestaat uit herbruikbare componenten (cradle to cradle). Prof. Hennes de Ridder stelde dat gebouwen ontworpen moeten worden als gebruiksvoorwerp. Na gebruik moeten ze worden gesloopt. Voor bijvoorbeeld een ziekenhuis is de medische apparatuur vaak een grote investering. Het is mogelijk efficiënter om een gebouw om die apparatuur heen te bouwen met eenzelfde levensduur als die apparatuur. De opzet is om gebouwen te ontwerpen die lang mee gaan. Maar die levensduur wordt zelden benut. Er verandert veel in dergelijke lange periodes. Het onderscheid tussen casco en inbouw is wel van belang. Door in het casco de nodige ruimte op te nemen, is het beter aan te passen zijn aan de veranderingen in de tijd.

De stelling van prof. Hennes de Ridder dat opdrachtgevers geen geïntegreerd contract moeten willen sluiten met een gefragmenteerde keten werd niet gedeeld. Nadat er een aantal grote geïntegreerde contracten op de markt zijn gezet, zijn verschillende grote aannemers samen gaan werken met installatiebedrijven en aanbieders van facilitaire diensten. De geïntegreerde contracten zorgen zo voor een ontwikkeling bij marktpartijen. Er is tijd nodig om de markt te laten leren van de gegunde contracten.